zaterdag 13 augustus 2011

Roncevaux

In 2000 zond de VPRO onder de titel ‘Van de schoonheid en de troost’ een aantal interviews met prominente vertegenwoordigers op het gebied van de kunsten en wetenschappen op de televisie uit. In de geschiedenis van de Nederlandse televisiekijk rijzen niet zo heel veel echte hoogtepunten op, maar deze reeks prijkt nog steeds in hoge en eenzame sferen. In één vraaggesprek vond programmamaker Wim Kayzer de Britse denker en hoogleraar George Steiner als gesprekspartner tegenover zich. George Steiner heeft een boek geschreven dat een enorme en onuitwisbare indruk op mij heeft gemaakt. Kort en ruw geresumeerd doet ‘Real presences’ (met register – in het Nederlands vertaald naar ‘Het verbroken contract’, zonder register, zal wel weer te duur zijn geweest) verslag van de uitbanning van god uit de westerse samenlevingen gedurende de laatste twee eeuwen en van de gevolgen die deze daad heeft gehad voor de westerse maatschappijen in het algemeen en voor de culturele dimensies ervan in het bijzonder. George Steiner ontpopt zich in dit prachtige mopperboek als een intellectuele titaan met een enorme eruditie die zich beklaagt over het feit dat er dingen definitief verdwijnen zonder dat er iets voor in de plaats komt, althans in zijn optiek. Ook de uitzending van ‘Van de schoonheid en de troost’ met Steiner in de hoofdrol – een van de meest gedenkwaardige uit een over het geheel genomen indrukwekkende reeks – kenmerkte zich door een, wat je zou kunnen noemen uitgesproken cultuurpessimistische aanvang.

Het eerste shot van de film toont een George Steiner die staat te drentelen bij wat klaarblijkelijk een boekenkast is. De camera zoomt uit. De boekenkast dijt uit. Steiner is kennelijk doende om een boek te zoeken. De camera zoomt nog verder uit. De boekenkast wordt een boekenwand – in volle glorie. Een boekenwand die imponeert. Seconden lang manoeuvreert de geleerde voor die rijkelijk gevulde, maar niet helemaal adequaat gerangschikte boekenwand. Hij beseft dat hij oponthoud veroorzaakt en omdat hij dat als pijnlijk ervaart, verontschuldigt hij zich. ‘Een probleem van “embarras de richesse” ’, zo laat hij zijn interviewer weten, met de rug naar die laatste en naar de camera toe. ‘Tweeënzestig jaren van lezen,’ repliceert Kayzer om de gêne te bezweren. Intussen laat de cameraman de lens van zijn apparaat over een deel van de boekenweelde dwalen en zoomt hij weer in alsof hij Steiner bij het zoeken wil helpen. Maar Steiner weet wat hij zoekt en waar ongeveer hij moet zoeken; de cameraman helemaal niet.

Als Steiner het boek uiteindelijk gevonden heeft, is hij er nog niet. Hij moet nog de juiste passage hebben. Vreemd genoeg begint hij met zoeken aan het einde van het boek. Dat helpt hem blijkbaar om zich te herinneren dat de bewuste passage in het eerste kwart van de roman staat. Anderhalve minuut bladert hij door Ernest Hemingway’s roman ‘The sun also rises’ uit 1926, op zoek naar die bepaalde passage. Op een gegeven moment begint er een hond te blaffen. ‘She knows it’s tea time, sorry,’ merkt Steiner laconiek op. Je hoort Kayzer grinniken.

Als Steiner de door hem gezochte bladzijde gevonden heeft, vraagt hij aan Kayzer of hij kan beginnen. ‘Tell me when you’re ready,’ zegt Steiner. Maar Kayzer die alles doodgemoedereerd heeft laten filmen en de scène in de uiteindelijke uitzending zal monteren, zit allang klaar. Steiner houdt nog een korte inleiding. Hemingway beschrijft in zijn verhaal hoe de twee protagonisten ervan op zeker moment per bus door het zuiden van Frankrijk reizen. En dan begint Steiner met voorlezen.

‘We reden door het bos en vanuit het bos draaiden we een helling op en voor ons lag een golvende groene vlakte, met de zwarte bergen erachter. Heel anders dan de bruingeblakerde bergen waar we vandaan kwamen. Ze waren bebost en er gleden wolken langs naar beneden.

De groene vlakte strekte zich uit.Hij werd onderbroken door hekken en het wit van de weg scheen door de dubbele rij bomen die de vlakte noordwaarts doorkruiste.

Boven aan de helling zagen we voor ons de rode daken en de witte huizen van Burguete, verspreid over de vlakte.

In de verte, op de schouder van de eerste donkere berg was het grijze metalen dak van het klooster van Roncevaux.

“Daar ligt Roncevaux,” zei ik.

“Waar?”

“In de verte. Waar de bergen beginnen.”

“Het is hier koud,” zei Bill.

“We zitten hier hoog,” zei ik.

“Wel twaalfhonderd meter.”

“Het is verschrikkelijk koud,’ zei Bill.” ’

Hemingway laat het hierbij. Hij verduidelijkt de betekenis van het fragment niet en zadelt de lezer op met de opdracht om alles uit deze passage te halen wat erin zit. Nu roept de naam Ronceveaux een associatie op met een tekst uit de middeleeuwen, namelijk het Chanson de Roland. In het verhaal dat in het Chanson de Roland, of in het Middelnederlands: Roelantslied, verteld wordt en dat zijn oorsprong vindt in de werkelijkheid, maar dan wel hevig gemythologiseerd, heeft Karel de Grote na een veldtocht door Spanje vrede gesloten met zijn tegenstanders, de Saracenen. Het leger van Karel de Grote keert daarop terug naar Frankrijk. En dan vindt er een daad van verraad plaats die ertoe leidt dat de achterhoede van Karels legermacht in een hinderlaag valt. De leider van die achterhoede, Roelant, wordt samen met zijn medestrijders wreed afgeslacht door de Saracenen. De door een trotse Roelant pas op het laatst gewaarschuwde Karel de Grote komt te laat op de plek des onheils om de ramp te voorkomen.

In Steiners optiek kon Hemingway erop vertrouwen dat het merendeel van de lezers van ‘The sun also rises’ op de hoogte was van het feit dat de naam Roncevaux naar het Roelantslied verwees. Hemingway kondigt door het noemen van de naam Ronceveaux het feit aan dat de twee protagonisten elkaar zullen verraden. Steiner betwijfelt vervolgens of die kennis heden ten dage, en zelfs bij ontwikkelde mensen, nog aanwezig is en dat vormt naar Steiners mening een symptoom voor de culturele degeneratie die in de westerse samenlevingen ongegeneerd en wild om zich heen grijpt.

In het vervolg van zijn betoog en zich nog duidelijker profilerend als cultuurpessimist laakt Steiner de kwaliteit van de algemene ontwikkeling van zijn studenten in Oxford, Cambridge, Genève en Harvard. Steiner kwalificeert die kennis als gebrekkig omdat zijn studenten een voetnoot nodig zouden hebben om bovengenoemde passage te begrijpen. En in tegenstelling tot een spontane associatie zou zo’n voetnoot het genot van het lezen bepaald geen goed doen. Steiner heeft gelijk. Maar toch...

Mijn exemplaar van Dantes ‘De goddelijke komedie’ (vertaling Christinus Kops, Antwerpen, 1977) zal, zo schat ik, zo’n drieduizend voetnoten bevatten. Zonder die voetnoten zou de lectuur van dit toch al bepaald niet eenvoudige boek vrijwel onmogelijk zijn. En het valt zelfs te betwijfelen of Dantes geletterde tijdgenoten de talrijke historische personages die Dante opvoert, allemaal kenden en in staat waren om die personages en hun wederwaardigheden van de juiste associaties te voorzien – zoals Dante die bedoeld had, bedoel ik, want van Dante valt veel te zeggen, maar hij was in elk geval geen postmoderne dichter.

Dichter bij huis en later in de tijd. ‘Reize door het Aapenland’ van J. A. Schasz M.D. (pseudoniem voor Gerrit Paape) uit 1972 (heruitgave door P. J. Buijnsters van het origineel uit 1788) bevat relatief gezien evenveel voetnoten als ‘De goddelijke komedie’. Voor een rudimentair begrip van dit relatief recente werk is de verklarende inleiding die ingaat op de context van de ingewikkelde gebeurtenissen op politiek gebied in het Nederland van het einde van de achttiende eeuw onontbeerlijk, zoals ook de voetnoten dat zijn.

De strekking moge duidelijk zijn: op een bepaald moment zijn teksten wat tijd (en soms ook plaats) betreft zo ver verwijderd van het hier en nu dat verklarende inleidingen en voetnoten voor een rudimentair begrip ervan onmisbaar worden. Als de naam Roncevaux niet als vanzelf meer een belletje doet rinkelen, dan moet er een voetnoot bij ten einde te voorkomen dat de verbinding helemaal niet meer gelegd wordt en er zonder duiding over de passage heen wordt gelezen. Steiners verwijt aan zijn studenten is niet terecht omdat een mens nu eenmaal niet alles kan weten.

Niettemin bezitten Steiners zorgen over het gebrek aan belezenheid bij zijn studenten in het bijzonder en bij mensen die zich min of meer geletterd mogen noemen in het algemeen, een zekere en groeiende validiteit. Steiner staat echter vrijwel alleen in zijn gevecht tegen de bierkaai. Het grote wereldgebeuren walst genadeloos over de cultuurhoeders van deze en alle tijden heen.

Maar Steiner heeft ook een ander, meer bij het leven van alledag van mensen behorend motief om te pleiten voor een grotere belezenheid. Het liefst zou hij iedereen simpelweg met liefde voor het boek en voor het lezen bezielen. Het punt dat hij maakt is dat mensen die geen boeken lezen, geen benul hebben van wat ze allemaal missen. Hij ijvert ervoor dat mensen weer die sensatie ervaren die hem misschien wel dagelijks overweldigt. Want elke dag weer ondervindt Steiner hoe heerlijk het is om te kunnen genieten, niet alleen van de prachtige verhalen, maar ook van de vele verbanden en referenties die hij op grond van zijn eruditie binnen en tussen die verhalen weet te detecteren. Ten slotte: bijna als geen ander put hij voldoening uit de omstandigheid dat hij desgewenst binnen drie minuten een bepaalde passage in een boek dat zich ergens in een boekenwand verborgen houdt, kan terugvinden.

© 2011 Leo van der Sterren

Geen opmerkingen:

Een reactie posten